De laatste tijd merk ik (voornamelijk in mijn vanilla leven) dat ik steeds minder behoefte heb om terug te kijken naar wat was.
Wat geweest is, is geweest, het heeft me gevormd, maar het definieert me niet meer.
Ik kijk vooruit.
Ik voel dat ik groei.
En ergens, zonder haast of kramp, vertrouw ik erop dat die lieve D vanzelf op mijn pad zal komen. Tuurlijk mis ik het. Maar tot die tijd ontdek ik, voel ik en leer ik. En soms betekent dat dat ik precies dat nodig heb wat me uitdaagt, opent en weer terug in mijn lijf brengt.
Zoals gisteren, tijdens de impactsessie met AndereHan.
Ik had zelf aan hem gevraagd of hij zin had om te zwepen. Heel bewust.
Ik wist dat ik het nodig had.
En toch… zodra de eerste slagen vielen, voelde ik een interne strijd loskomen. Niet in woorden, maar in reflexen, in spanning, in het niet helemaal kunnen zakken.
Alsof twee delen van mij tegenover elkaar stonden: de helft die verlangt, en de helft die bang is om precies dat verlangen te ontvangen.
Vloekend, stampend, boos kijkend, met de tranen in mijn ogen… en toch weer terug stappen naar de plek waar hij me kan raken. Die onzichtbare stip op de grond, die me keer op keer toch weer aantrekt…
Later, toen we erover appten, verwoordde hij het eigenlijk precies goed:
“Je hebt iets nodig wat je kennelijk ook heel veel moeite kost om te ontvangen. Omdat zachtjes niet voldoende is. Dat is een diabolische strijd tussen je twee duiveltjes.”
En dat is het.
Ik heb het nodig: de zwepen, de impact, de intensiteit.
Niet als spelletje of kink-vlaag, maar omdat het ergens raakt waar ik anders niet bij kom.
Het ordent me. Het opent me. Het brengt me terug in mijn lichaam.
Maar gisteren was het extra pittig.
De bamboe cane op de voorkant van mijn bovenbenen, die messcherpe klappen die je niet alleen voelt, maar die je vangen, waarvan je dubbel klapt en bijna door je hoeven zakt.
De rubberen bullwhip, niet alleen het wrappen, de spanning om mijn huid… maar ook het bullen met de whip. Godver, dat doet pijn. 🤬
Die rauwe, pure, nietsontziende pijn die alles even stilzet.
En dan ook nog die zweep om mijn nek wrappen…
Eeks.
Eng.😱
Maar ook precies dat randje waar vertrouwen en spanning elkaar raken.
En ergens tussendoor merkte ik dat ik minder kon hebben dan normaal.
Dat mijn lijf eerder protesteerde, dat mijn hoofd minder snel losliet.
En dat vond ik lastig.
Niet omdat het “minder” was, iedere dag is anders en het doet ook gewoon fokking veel pijn, maar omdat het me confronteerde met wat ik mis.
Want hoe fijn, veilig en warm het ook is met AndereHan, of met E., R. en de anderen die ik vertrouw…
er mist iets. Ik mis een D. Een dynamiek.
Die laag waar pijn betekenis krijgt, waar impact niet alleen impact is, maar onderdeel van een wij.
Van richting, van plaats, van rol. Mijn rol als submissive, als slavin…
Misschien maakt dat het soms moeilijker.
Misschien maakt dat het soms juist intenser.
En toen kwam het moment waar alles kantelde. De slag die zorgde dat ik in elkaar zakte en niet meer op kon staan.
Ik zat op de grond, geknield, gebroken.
AndereHan streek met iets zachts over mijn rug en dat was de druppel die de emmer verder liet overlopen.
De scheur in het pantser.
De stortvloed aan tranen.
Onbedaarlijk, rauw, niet mooi, maar eerlijk.
Alles eruit.
Alles wat vastzat.
Ik mocht daar zijn.
Klein, schokkend, met mijn hoofd op zijn schoot.
Veilig.
Zonder strijd.
En precies dat is waarom dit vooruitgang is.
Omdat het niet meer gaat over vasthouden aan wat ooit was, maar over durven voelen wat er nú is.
Over openstaan voor wat komt.
Over vertrouwen dat ik steeds meer word wie ik ben.
Ik ben sterker dan ik soms denk.
Ik kom er wel.
En die lieve D?
Die vindt mij vanzelf.
Misschien precies op het moment dat mijn twee duiveltjes eindelijk even rustig zijn. 😈

